Sportcommissie

Van DuikWiki

Ga naar: navigatie, zoek
Foto: Archief Sportcommissie
Groter
Foto: Archief Sportcommissie

Inhoud

Onderwaterhockey

Onderwaterhockey ontstond in Engeland in 1956 en was bedoeld om duikers tijdens de koude wintermaanden op een ludieke manier aan hun conditie te laten werken. Door de jaren heen evolueerde dit tijdverdrijf zich tot een volwaardige discipline van het duiken. Onderwaterhockey kwam voor het eerst naar België in de jaren zestig. Ongeveer gelijktijdig kwamen Franse en Nederlandse spelers de sport bij ons voorstellen. Het eerste internationale toernooi vond overigens ook in België plaats, in 1978 om precies te zijn.


Onderwaterhockey wordt gespeeld op de bodem van een zwembad. Het speelveld heeft een lengte tussen de 21 en de 25 meter, een breedte tussen de 12 en de 15 meter en mag 2 tot 3m60 diep zijn. Het feit dat men ook rekening moet houden met de diepte, zorgt ervoor dat onderwaterhockey werkelijk een sport met een extra dimensie is.


Gedurende de wedstrijd nemen twee teams van zes personen het in het water tegen elkaar op en zijn er vier wisselspelers op de kant. Deze mogen zo vaak wisselen als gewenst. Het spel wordt volledig in apnea (ingehouden adem) gespeeld, hetgeen betekent dat enkel de longinhoud de luchtreserve is. Het komt er dan ook op aan om een zo tactisch mogelijk samenspel te spelen om ervoor te zorgen dat de puck in eigen bezit blijft. Onderwaterhockey wordt dan ook gezien als de ultieme ploegsport.


Momenteel zijn er in Vlaanderen zo een zestal clubs die samen goed zijn voor een 100-tal spelers, een cijfer dat stilaan blijft groeien. Deze clubs nemen het, samen met de Waalse ploegen, onderling tegen elkaar op in de Belgische competitie. Die bestaat uit vier toernooien die op een heel jaar worden georganiseerd. Per toernooi krijgt iedere ploeg punten naargelang het behaalde resultaat. Wie na vier toernooien de meeste punten haalt, wordt kampioen. Naargelang meer en meer ploegen worden opgericht, zal deze competitie zich blijven uitbreiden. Toeschouwers zijn er meestal niet te vinden tijdens dit soort toernooien. Tijdens grote toernooien worden er wel camera’s in het water gemonteerd, die alles op grote schermen uitzenden. Het publiek krijgt hierdoor een mix van het live-gebeuren in combinatie met haarscherpe beelden.


Meer informatie kan je vinden op www.owh.be


Wedstrijd

Iedere speler beschikt over basismateriaal dat bestaat uit een paar zwemvliezen, duikbril, snorkel, handschoen, stick en muts:

  • De zwemvliezen laten de speler toe zich sneller voort te bewegen onder water. Dit heeft een grote inbreng tot de snelheid van het spel.
  • De snorkel laat de speler toe om te blijven ademen aan de oppervlakte en terzelfdertijd toch het spel te blijven volgen dat zich onder hem afspeelt.
  • De handschoen beschermt de speelhand van de hockeyers. Het is immers niet denkbeeldig dat iemand een slag mist en per ongeluk de hand van de tegenstander raakt in plaats van de puck.
  • De stick laat de speler toe om de puck voort te bewegen. Deze stick moet voldoen aan bepaalde afmetingen, maar niet langer dan dertig centimeter. Ze mogen gemaakt zijn uit hout of kunststof, maar moeten wel blijven drijven.
  • Net als bij ijshockey wordt ook onderwaterhockey met een puck gespeeld. Een onderwaterhockeypuck is wel gemaakt uit lood en ommanteld met kunststof ter bescherming van de spelers en de zwembadbodem. De puck weegt tussen 1100 en 1500 gram, heeft een dikte tussen de 28 en 34 mm en een doormeter van 76 tot 84 mm.


Hoewel het een onmogelijke opdracht lijkt om zo'n puck onder water voort te bewegen, toch kunnen spelers deze puck gemakkelijk drie tot vier meter ver slaan. Hierdoor wordt het wisselen van zijde tijdens het spel wel moeilijker dan in andere sporten.


Het opzet van de sport is, zoals eerder al vermeld, om de puck in het doel van de tegenstander te werken. Dat doel is gemaakt uit roestvrij staal: 2 platen die 90° op elkaar gemonteerd zijn. Het bevindt zich op de bodem van het zwembad. De doelen hebben een hoogte van 18 cm, zijn 3 m lang en 12 cm diep. Dit gebied noemt men de doelkolom. Daarnaast hebben de doelen nog enkele schuin oplopende vlakken van 18 cm om de puck vlugger in de doelkolom te laten glijden.


Een wedstrijd duurt twee maal 15 minuten met twee minuten rust en wordt geleid door drie scheidsrechters. Twee ervan bevinden zich in het water en één aan de rand van het zwembad. Deze laatste is de hoofdscheidsrechter. Hij heeft als hoofdtaken: de tijd in het oog houden, nagaan of alle wissels correct verlopen, het affluiten van een valse start en het bedienen van de gong. De twee scheidsrechters in het water zien er op toe dat er geen grove fouten gemaakt worden. Mocht dit wel het geval zijn, dan zal de scheidsrechter die de overtreding vaststelt een handgebaar maken naar de hoofdscheidsrechter. Die zal op zijn beurt de gong laten klinken waardoor alle spelers onder water gewaarschuwd zijn dat het spel wordt stilgelegd wegens een overtreding. Bij het stilleggen van het spel, loopt de klok wel gewoon verder.


Vrijduiken

Foto: Archief Sportcommissie
Groter
Foto: Archief Sportcommissie

Vrijduiken, ook wel apnea-duiken genaamd, klinkt sommige mensen misschien wat vreemd in de oren, maar toch heeft iedereen het al gedaan: kijken hoe lang men zijn adem kan inhouden. Het is een grensverleggende sport waarbij men steeds zal proberen langer, dieper of verder onder water te gaan.


Vrijduiken ontstond uit het sportduiken met luchtflessen waar men zich veel trainde op het voortbewegen zonder gebruik van lucht. Door de jaren heen evolueerde het tot een eigen discipline met verschillende competities in verschillende categorieën die, naargelang de categorie, zowel binnen als buiten kunnen plaatsvinden.

In het algemeen kan men twee hoofdtakken van het vrijduiken onderscheiden, de statische en dynamische apnea. Zoals men al kan vermoeden, is de indeling gebaseerd op beweging. Bij statische apnea zal men stil blijven liggen en zo lang mogelijk zijn adem inhouden terwijl men bij dynamische apnea vooral gaat kijken naar de afstand die men onder water kan afleggen.


Grensverleggend

Vrijduiken is waarschijnlijk één van de meest grensverleggende sporten die het menselijk lichaam kan meemaken. Dit zowel op lichamelijk als psychologisch vlak. Het komt er steeds op aan om prikkels uit te stellen of te leren omgaan met de druk die het water op het menselijk lichaam zet. De vrijduik(st)er moet zich dan ook steeds volledig kunnen concentreren en werkelijk afsluiten in zijn of haar eigen wereld. Bovendien moet men ook over een ijzersterke conditie beschikken aangezien dit het lichaam helpt om langer zonder zuurstof te kunnen functioneren.


Veiligheid

Voor vele mensen die de sport niet kennen, lijkt het gevaarlijk om het lichaam zonder zuurstof te zetten. Toch moet men de gevaren van de sport ook niet overroepen. De veiligheidsvoorschriften zijn dan ook zeer groot. Bij alle vormen van competitie zijn er strikte regels te volgen en is er steeds een team van medisch opgeleide mensen in de buurt. Bovendien wordt iedere persoon die aan deze sport begint ook zeer goed opgeleid om zich een precies beeld te vormen van de gevaren van de sport.


In België zijn momenteel zo een 100-tal vrijduikers die actief in competities meedraaien.


Statische vrijduik

De statische vrijduik is de vorm die zowat iedereen kent. Toch is deze sport net iets ingewikkelder dan even zijn hoofd onder water steken. Het vergt een uiterste concentratie en ijzersterke geest. Men gaat immers bewust impulsen van het lichaam negeren, en dat is niet simpel.


De statische vrijduikcompetities worden meestal in laag water gehouden zodat men de deelne(e)m(st)er optimaal in de gaten kan houden. Naast hem of haar zal steeds een controlepersoon staan die de veiligheid van de vrijduik(st)er garandeert.


Dynamische vrijduik

Wanneer we kijken naar het dynamisch vrijduiken kan men wederom een opdeling maken in twee categorieën en ook nu weer is die verdeling gebaseerd op beweging, zij het dit maal de richting. Bij de ene vorm van vrijduiken zal men proberen een zo lang mogelijke afstand onder water af te leggen, bij de andere vorm probeert men diepterecords te verpulveren. Bij beide vormen mogen de deelnemers zich voortbewegen met behulp van zwemvliezen.


De afstandsvrijduik zal, net als de statische vrijduik, meestal afgelegd worden in een zwembad, bij voorkeur olympisch. Er bestaat ook een buitenvariant waarbij men een vast vierkant parcours met een bepaalde omtrek op een bepaalde diepte aflegt. Het principe is kinderspel ... diegene die het verste zwemt, wint.


De filmliefhebbers zullen zich zeker iets kunnen voorstellen als men het heeft over die andere vorm van dynamische vrijduik. De Franse cineast Luc Besson gebruikte de sport immers als rode draad door zijn kaskraker “The big blue” (Le grand bleu) met Jean-Marc Barr en Jean Reno in de hoofdrollen. In deze tak van het vrijduiken zal de duik(st)er na diep inademen langs een touw naar een zo groot mogelijke diepte trachten te gaan. Dit kan gebeuren op eigen kracht of met behulp van een gewicht, dit naargelang de competitie waarin men deelneemt. De grootste dieptes worden, vrij evident, bereikt door het gebruik van gewichten. Hierbij zullen blokken lood (met remsysteem) de vrijduik(st)er naar beneden trekken en kan hij of zij terugkeren met behulp van een ballon. De grootste diepte dat een mens ooit haalde, was 209 m in 2005 en werd in Egypte bereikt door de Brusselaar Patrick Mussimu. Op deze diepte worden de longen samengeperst tot de grootte van een tennisbal. Dit betekent echter niet dat men niet diep kan gaan wanneer men het op eigen kracht moet doen. Deze, meer vermoeiende vorm, is de meest voorkomende van het vrijduiken naar diepte. In België beoefent men dit hoofdzakelijk in oude groeves.


Vinzwemmen

Foto: Archief Sportcommissie
Groter
Foto: Archief Sportcommissie

Toptijden halen met door het water te glijden en met volle kracht door de golven. Het klinkt als off-shore racen maar is eigenlijk de menselijke variant ervan: vinzwemmen. Met een kwalitatief paar zwemvliezen of een monovin gaat men proberen de menselijke machine tot het uiterste te drijven om zo snel mogelijk door het water te gaan. Vinzwemmen is dan ook waarschijnlijk de meest technische discipline die NELOS te bieden heeft. Net zoals bij klassiek zwemmen is een goede zwemtechniek essentieel voor een goede vinzwemmer. Toch zijn beide technieken compleet verschillend.


Bij het vinzwemmen maakt men twee grote onderverdelingen, namelijk competitie in binnenbad en buitenbad. Verder maakt men ook nog een onderscheid in de soort zwemvliezen die men gebruikt.


Zwembadcompetities worden steeds gehouden in een olympisch zwembad en heeft volgende categorieën:

50 m oppervlakte
100 m oppervlakte 25 m apnea voor jongeren onder 14 jaar
200 m oppervlakte 50 m apnea voor zwemmers ouder dan 14 jaar
400 m oppervlakte
800 m oppervlakte
1500 m oppervlakte



100 m met perslucht
400 m met perslucht 4 x 100 m oppervlakte estafette
800 m met perslucht 4 x 200 m oppervlakte estafette


Bij de competities in buitenlucht kan de afstand steeds verschillen. Wedstrijden die plaatsvinden in stilstaand water, hebben doorgaans een parcours van vier kilometer. Bij internationale westrijden is dit echter meestal een stukje langer, zes kilometer om precies te zijn. Mocht het zijn dat de competitie wordt gehouden in een water met stroming, dan wordt ook de afstand van het parcours vergroot aangezien men dan meer hulp krijgt van de natuurlijke stroming. In België zijn er buitenwedstrijden in de Ourthe (Bomal-Hamoir), de Maas (Maaseik), de Noordzee (Knokke-Cadzand of omgekeerd), het Albertkanaal (Hasselt), het Schulensmeer (Lummen), het Zilvermeer (Mol), enz …


Uitrusting

De uitrusting van een vinzwemmer is zeer bescheiden. Buiten een duikbril om goed te kunnen zien onder water, heeft de vinzwemmer meestal ook een snorkel die centraal voor het aangezicht loopt en vooraan op het hoofd vastgehouden wordt. Dit natuurlijk om zo weinig mogelijk weertstand te hebben tijdens het zwemmen. Bij persluchtcompetities maakt men gebruik van een speciaal ontworpen luchttank die lijkt op een torpedo en die door de vinzwemmer wordt vooruitgeduwd.


Het allerbelangrijkste attribuut van de vinzwemmer is natuurlijk de zwemvlies. Men heeft de keuze tussen een klassiek paar zwemvliezen of een monovin. Het klassieke paar vinnen voor crawlzwemmen is vergelijkbaar met de zwemvliezen die gebruikt worden door duikers. Bij het kiezen van zo'n paar is het belangrijk dat het model de voet goed omsluit. Net zoals in alle andere sporten levert ook in het vinzwemmen de technologische vooruitgang tot het ontwikkelen van nieuwe modellen en nieuwe materialen. Tegenwoordig kan men ook speciale, sterk verlengde modellen met een dun veerkrachtig blad kopen. Deze kunnen dan vervaardigd zijn uit high-tech glasvezel of koolstof. Naast de klassieke zwemvlies heeft men ook de monovin. Dit type vin heeft een groot driehoekig blad waar beide voeten samen in schuiven. De zwemmer beweegt zich voort als een zeemeermin/man en gebruikt hiervoor vooral de rug-, buik-, en beenspieren. De armen worden bij het zwemmen met een monovin strak vooruit gestrekt. Het zijn vooral mono-vinzwemmers die toptijden halen in deze discipline en in de watersporten in het algemeen.


Als we het even vergelijken met klassiek zwemmen dan komen we tot het volgende resultaat: Pieter van den Hoogenband zwom tijdens de Olympische spelen 2000 van Sydney 47.84 sec. over de 100 meter crawl. Een record dat nog altijd standhoudt. Bij het (mono)vinzwemmen bedraagt het record op deze afstand 34.79 sec! Dat is een aanzienlijk verschil in een wereld waar elke honderdste van een seconde telt!


Het spreekt voor zich dat bij het organiseren van officiële wedstrijden beide categorieën van zwemmers gescheiden worden.


Meer informatie kan je vinden op www.vinzwemmen.be

Contactpersonen

Leden van de Sportcommissie:

   Voorzitter: Herwig Van Cotthem
   Serigiersstraat 24
   2020  Antwerpen
   Gsm: 0495 55 85 19
   sportcommissie@nelos.be


   Secretaris: Free Duerinckx
   Schijnbroekstraat 51
   3500 Hasselt
   Tel: NIHIL
   free.duerinckx@gmail.com
Persoonlijke instellingen
voor editeurs